Tristan Tzara, pseudoniem van Sami Rosenstock,
(De storm en het deserteurslied, 1914)
(Moinești, 16 april 1896 – Parijs, 25 december 1963), was een Roemeens dichter, essayist en performance-artiest die het grootste deel van zijn leven in Frankrijk doorbracht. Hij is vooral bekend als een van de stichters van het dadaïsme. Samen met Hugo Ball vluchtte hij naar Zürich om er de eerste Dada-voorstellingen in Cabaret Voltaire te organiseren. In 1919 vestigde hij zich in Parijs waar hij na drie jaar met Dada ophoudt (in 1921) en bij de literaire voorlopers van de surrealisten terechtkomt.
Tzara wilde een tijd niets van de surrealisten rond André Breton weten, maar zocht in 1928 toch contact met hen. Hij verliet ze later om lid te worden van het verzet en van de communistische partij. Tzara werd begraven op het Cimetière du Montparnasse in Parijs.
De herkomst van de gekozen naam Tristan Tzara is onduidelijk. Misschien komt het van “trist în țară”, wat “triest in het land” betekent. Tristan had hij reeds eerder als schuilvoornaam gebruikt (“triste âne” - triestige ezel). In 1925 liet hij zijn auteursnaam officieel in het bevolkingsregister opnemen.
Henri Guilbeaux is geboren op 5 november 1884 in Verviers en gestorven op 15 juin 1938 in Parijs. Hij is schrijver en journalist. In politiek opzicht voelt hij zich eerst socialistisch militant, dan anarchist en ten slotte Frans communist. Hij is lid van de Club anarchiste communiste en verzorgt de kunstrubriek in hun tijdschrift, Le Mouvement Anarchiste. Maar hij is vooral bekend om zijn pacifistisch verzet gedurende de Eerste Wereldoorlog.
Agnita Henrica (Agnita) Feis (Rotterdam, 10 februari 1881 – Amsterdam, 9 november 1944) was een Nederlandse, experimenteel dichteres, schrijfster en beeldend kunstenares. Ze was de echtgenote van avantgardist (en destijds dadaïst) Theo van Doesburg, en had voor de oorlog reeds gepubliceerd in tijdschriften. In 1915 verscheen haar bundel Oorlog die haar enige publicatie bleef. Na haar dood verscheen nog haar gedicht Kermis in een bibliofiele uitgave. Als beeldend kunstenaar maakte ze theosofisch werk met titels als Le Cri en Le Chagrin. Van Doesburg maakte tussen 1904 en 1910 een aantal portretten van haar.
Kurt Tucholsky (Berlijn, 9 januari 1890 - Göteborg, 21 december 1935) was een Duitse schrijver, columnist en journalist tijdens het interbellum. Tucholsky's collega-schrijver Erich Kästner typeerde hem ooit als een 'kleine dikke Berlijner die met zijn schrijfmachine een catastrofe wilde voorkomen’. Behalve heel veel columnachtige stukken, recensies en journalistieke verslagen, publiceerde hij enkele novellen, vele liedteksten en gedichten. In zijn werk toonde Tucholsky zich een democraat, een pacifist en een fel tegenstander van het nationaalsocialisme. Veel gedichten van Tucholsky zijn op muziek gezet, onder andere door Hanns Eisler. Al vanaf 1924 leefde hij min of meer permanent in het buitenland - eerst in Parijs en later in Zweden. Daar kwam hij in 1935 om het leven na het innemen van een grote hoeveelheid slaappillen. Algemeen wordt aangenomen dat het hier gaat om zelfmoord uit wanhoop over wat in de wereld aan het gebeuren was. De enige bekende werken uit zijn Zweedse jaren zijn enkele (hartverscheurende) brieven.
Fernando António Nogueira Pessoa (Lissabon, 13 juni 1888 - aldaar, 30 november 1935) is een van de belangrijkste dichters in de Portugese literatuur. Hij woont met zijn ouderlijk gezin lange tijd in Zuid-Afrika. Op zeventienjarige leeftijd keert Pessoa alleen terug naar Lissabon en trekt bij twee tantes en een krankzinnige grootmoeder in. Hij geeft zijn literatuurstudie snel op en stort zich in de literatuur zelf. In 1908 wordt hij freelance-vertaler en handelscorrespondent en blijft dat de rest van zijn leven.
Pessoa trouwde niet en had enkel een platonische relatie met een secretaresse. Hij wilde tijdens zijn leven obscuur blijven, postuum mocht dan de roem komen. Hij was bang voor onbekende mensen en onbekende plaatsen en kon er niet tegen gefotografeerd te worden. Zijn eenzaamheid verklaarde hij als volgt : "Het is het alleen-zijn van degene die te ver is voorop geraakt op zijn reisgenoten.” Het enige wat hij naar eigen zeggen kon, was denken. Hoe kon hij daaraan ontsnappen ? Door te slapen, eindigend in the big sleep (de dood) en in alcohol. Hij sterft (niet onvrijwillig) op 30 november 1935, aan alcoholvergiftiging (leverkoliek). Zijn legendarische laatste versregel was: "Geef mij nog wat wijn, want het leven is niets”.
Aleksandr Blok (Sint-Petersburg, 16 november 1880 - Petrograd, 7 augustus 1921) was een Russisch dichter. Door de geïdealiseerde mystieke beelden uit zijn vroege werk groeide Blok snel uit tot de voortrekker van de Russische symbolisten. Na de Revolutie van 1905 worden zijn werken pessimistischer. Hij hoopte in zijn gedichten op de lang verwachte opstand tegen de gehate stadscultuur. Blok hield van Rusland, een belangrijk thema in heel zijn werk. De Russische Revolutie van 1917 stemde hem aanvankelijk hoopvol. In zijn laatste levensjaar schreef hij dat hij deze tijd “nog door geen enkele ster verlicht zag” en dat “de wereldmuziek voor mij verstomd is”.
Nazım Hikmet (Thessaloniki, 15 januari 1902 - Moskou, 3 juni 1963) was een Turkse dichter, toneelschrijver, romanschrijver en memoireschrijver die in Turkije wordt gezien als de eerste en belangrijkste hedendaagse Turkse dichter en wereldwijd als een van de grootste internationale dichters van de 20e eeuw .
In 1938 wordt hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van 28 jaar: zijn boeken zouden aanzetten tot ongehoorzaamheid en rebellie. In gevangenschap zal hij zijn belangrijkste werk Mensenlandschappen schrijven. In 1950 komt hij vrij en vlucht naar de Sovjet-Unie. In 1963 sterft hij er en wordt in Moskou begraven. Op 25 juni 1951 werd zijn Turks staatsburgerschap afgenomen door de Turkse staat. Pas 58 jaar later, op 5 januari 2009, werd hij -postuum- weer Turks staatsburger, omdat de ministerraad het besluit uit 1951 heeft opgeheven.
Samuel Edward Krune Mqhayi (S. E. K. Mqhayi, 1 December 1875–29 July 1945) was een Xhosa dichter en geschiedkundige. Hij staat mee aan de wieg van de geschreven Xhosa taal. Van 1896 tot 1944 was hij journalist bij Xhosa kranten. In 1907 schreef hij de eerste roman in Xhosa. Hij is vooral bekend gebleven als schrijver van het gedicht "Nkosi Sikelel' iAfrika”, dat werd opgenomen als onderdeel van het Zuid-Afrikaans volkslied. De jonge Nelson Mandela hoorde Mqhavyi een keer zijn gedichten voorlezen en verwees daar later nog vaak naar : “De aanblik van een zwarte man die in traditionele kledij de ruimte binnenkomt, was elektrificerend. Het is moeilijk om het effect ervan op ons te beschrijven. Het leek wel of het universum op zijn kop gezet werd.”
Hafez Ibrahim (Arabic: حافظ إبراهيم, Ḥafiẓ Ibrāhīm) (Dairout 1871 – Kairo 1932) was bekend als de Dichter van de Nijl. Soms wordt hij ook de Dichter des Volks genoemd, omdat zijn gedichten zo verspreid waren onder het Egyptische volk. Hij schreef over onderwerpen die de gewone mensen direct aanbelangen: bv. armoede en bezetting. Ibrahim hoort bij een generatie dichters uit de 19e eeuw die nog het klassieke Arabische rijm en metrum gebruiken, maar er geheel nieuwe ideeën en gevoelens mee behandelden. Een beroemd citaat van hem is: “Als je een vrouw opleidt, creëer je een natie.”
Miroslav Krleža (Zagreb 1892 - Zagreb 1981) wordt gezien als een van de belangrijkste Midden-Europese schrijvers. (Foto uit 1981) Hij is nog geboren in het Kroatië dat deel uitmaakte van de Hongaars-Oostenrijkse Dubbelmonarchie en studeerde aan de militaire school van Pécs en de Ludoviceum militaire Academie van Boedapest in Hongarije. Als dichter, romancier, toneelschrijver en essayist schiep hij een monumentaal oeuvre dat uit meer dan vijfenzestig titels bestaat. Een terugkerend thema in zijn werk is de confrontatie van het individu met zijn sociale omgeving. Zijn werk is in vele talen vertaald en hij was meer dan eens kandidaat voor de Nobelprijs.
Krleža was de drijvende kracht achter vele linkse literaire en politieke tijdschriften zoals Plamen (De Vlam) (1919), Književna Republika (Literaire Republiek) (1923-1927), Danas (Vandaag) (1934) en Pecat (Seal) (1939-1940). Hij was een publieke culturele figuur zowel in het Koninkrijk Joegoslavië (1918–1941) als in de Socialistische Republiek (1945 tot zijn dood in 1981).
Guillaume Apollinaire, pseudoniem van Wilhelm Albert Włodzimierz Aleksander Apolinary Kostrowicki (Rome, 26 augustus 1880 - Parijs, 9 november 1918), was een Franstalige schrijver en dichter. Kostrowitzki werd geboren als zoon van een ongehuwde vrouw van Poolse afkomst en een Italiaanse officier. In 1916 bij zijn naturalisatie tot Fransman kiest hij voor de naam Guillaume (Frans voor Wilhelm) Apollinaire (eigenlijk zijn vijfde voornaam). Hij verbleef met zijn moeder ooit in Stavelot (België) waar hij een ongelukkige liefde beleefde. In de oude abdij is nog een museum aan Apolinaire gewijd.
Hierna vertrok hij in 1901 naar Duitsland en dan naar Parijs waar hij werkte als bankbediende en dan als nègre (broodschrijver). In Parijs ontmoette hij de groten van zijn tijd : Picasso, Maurice de Vlaminck, Henri Matisse, Georges Braque, Max Jacob, André Derain, Raoul Dufy, Kees van Dongen en Henri Rousseau. Met Picasso bleef hij tot zijn dood bevriend. Verder publiceerde hij een bloemlezing uit het werk van Markies de Sade, en publiceerde hij anoniem twee erotische romans. In september 1911 werd hij ten onrechte gevangengenomen, omdat men hem als excentrieke "Italiaanse Pool" verdacht van de diefstal van de Mona Lisa. In 1913 verscheen zijn dichtbundel Alcools, een van de weinige bundels die tijdens zijn leven verschijnt.
Klabund (* 4. November 1890 in Crossen an der Oder; † 14. August 1928 in Davos) pseudoniem voor Alfred Georg Hermann Henschke, was een Duits auteur (Lithografie door Emil Orlik, 1915). Henschke koos in 1912 na enkele publicaties de schrijversnaam Klabund, omdat hij zich een zwervende dichter voelde : Klabautermann (een scheepskobold) en Vagabund, samen Klabund. Hij is vooral bekend als dichter van cabaretteksten.
In 1925 ging zijn toneelstuk de Kreidekreis in première, geïnspireerd op een chinees verhaal. Later bewerkte Bertolt Brecht dit stuk tot zijn der Kaukasische Kreidekreis. Zijn persoonlijk lot werd getekend door veel kommer en tegenslag. Zijn eerste vrouw stierf toen ze 22 jaar was en hun kindje een beetje later. Zelf was hij bijna zijn hele leven tbc-lijder die vaak op kuur naar Zwitserland moest.
Over de herkomst van deze gedichten is niet veel geweten. Ze werden genoteerd door soldaat Fernand Epron die de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog overleefde. In een schriftje had hij 28 liederen genoteerd die hij met zijn kameraden zong. Epron liet het schriftje na aan zijn kleindochter Danielle Pascual die het openbaar maakte. Het schriftje is integraal op internet in te kijken. Er staan typische bluettes en romantische liefdesliedjes in. Maar opvallend is dat er ook tekstjes over insubordinatie, desertie en ongehoorzaamheid instaan.
Ber Horowitz (Majdan, July 17, 1895 –Stanislavov, October 2, 1942) was een Jiddisch dichter, kortverhalenschrijveren essayist. Hij werd geboren in een bergdorp in de West-Karpaten (Galicië)en studeerde aan het Pools gymnasium van Stanislavov (vandaag Ivano- Frankivsk in Oekraïne). Hij studeerde geneeskunde in Wenen, publiceerde in vele Jiddische kranten en schreef gedichten in het Jiddisch. Hij sprak twaalf talen en vertaalde uit het Pools en Oekraïens naar het Jiddisch. Hij reisde veel en was onder andere bij de oliewinning in Roemenië actief. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog leefde hij weer in Stanislavov. In 1942 werd hij samen met 10000 andere Joodse mannen en vrouwen vermoord.
Eugen Berthold Friedrich Brecht (Augsburg, 10 februari 1898 – Berlijn, 14 augustus 1956) was een Duits dichter, toneelschrijver en - regisseur, ‘stukkenschrijver’ en literatuurcriticus. Brecht wordt gezien als de grondlegger van het episch theater. Hij werkte veel samen met de componisten Hanns Eisler, Kurt Weill en Paul Dessau. In 1933 emigreerde Brecht uit Duitsland en kwam na omzwervingen in 1941 in de Verenigde Staten terecht. Hij wil er werken als scenarioschrijver, maar de Amerikanen zijn in Brechts ogen slechts op zoek naar plat vermaak. Hij voelt zich – in zijn woorden – een leraar zonder leerlingen.
Na de Tweede Wereldoorlog wordt Brecht als communist vervolgd. In oktober 1947 moet hij voor de Commissie voor Anti-Amerikaanse Activiteiten verschijnen. De dag na het verhoor – de dag van de première van Het leven van Galilei in New York – verlaat Brecht de Verenigde Staten en vestigt zich in het Zürich.
Hij wil naar Duitsland, maar de toegang tot de toenmalige Amerikaanse bezettingszone wordt hem geweigerd. Noodgedwongen blijft hij een jaar in Zürich. Begin 1949 vertrekt Brecht met een Tsjechoslowaaks paspoort via Praag naar Oost-Berlijn. Hij richt er samen met zijn vrouw Helene Weigel het Berliner Ensemble op. Bertolt Brecht sterft in 1956 op 58- jarige leeftijd aan een hartinfarct.
Sarojini Naidu (geboren Sarojini Chattopadhyay ; Haiderabad, India, 1879 - Lucknow, India, 1949) werd ook wel de Nachtegaal van India genoemd. Ze was dichteres en de eerste Indische vrouw die gouverneur werd van een deelstaat. In 1925 werd ze presidente van het Indian National Congress. Ze begon te schrijven toen ze twaalf jaar oud was. In 1905 verscheen haar eerste dichtbundel (The Golden Threshold). Naast gedichten schreef ze ook toneelstukken.
Federico García Lorca (Fuente Vaqueros, 5 juni 1898 – Víznar, 18 augustus 1936) was een Spaanse dichter en toneelschrijver (Foto uit 1914). García Lorca geldt als één van de belangrijkste figuren van de 20ste-eeuwse Spaanse literatuur. De luchthaven van Granada is vernoemd naar de dichter. García Lorca was openlijk homoseksueel. Hij was een veelzijdige kunstenaar : hij schreef proza, poëzie en theaterstukken, was schilder en tekenaar, een goede musicus, speelde gitaar en piano, kon ontroerend zingen en acteren en was ook nog mimespeler. Hij werd tijdens de Spaanse Burgeroorlog vermoord door de nationalistische aanhangers van Franco, wellicht vanwege zijn reputatie als links georiënteerde schrijver van romantische werken met een sociale weerklank. Hij werd hierdoor het beroemdste slachtoffer van de rechtse terreur.
Dezső Kosztolányi (Szabadka, tegenwoordig Subotica, Servië, 29 maart 1885 – Boedapest, 3 november 1936) was een Hongaars dichter, schrijver, vertaler en (Mijn broertje, 1914 ) journalist. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste Hongaarse literatoren van de 20e eeuw. In 1910 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel De Klachten van een Arm Klein Kind en het maakte hem meteen in heel Hongarije beroemd.
Edward Słoński (Zapasiszkach, 23 oktober. 1872 - Warschau, 24 juli 1926 ) was een Poolse dichter en schrijver (foto uit 1909). Hij studeerde voor en werkte eerst als tandarts. Er werd wel eens het grapje gemaakt dat hij onder de tandartsen de beste dichter was en onder de dichters de beste tandarts. Hij was politiek actief in de Poolse Socialistische Partij en werd verschillende keren gearresteerd. Hij is zijn socialistische idealen altijd trouw gebleven, maar combineerde ze later met Pools nationalisme wat hem na de oorlog in botsing bracht met de communistische groepen die aansluiting bij Moskou zochten. Beetje ontgoocheld wijdde hij zich in zijn latere leven aan het ontwerpen van kinder- en jeugdboeken.
Kostas Karyotakis (Tripolis, 11 november 1896 – Patras, 20 juli 1928) wordt beschouwd als een van de belangrijkste Griekse dichters van de jaren ’20 van de vorige eeuw. Zijn poëzie is doorspekt met natuurbeelden, metaforen en draagt sporen in zich van het expressionisme en het surrealisme. Hij behoort tot de Griekse Lost Generation. Gedurende zijn leven was er weinig waardering voor zijn werk en werd erop neergekeken. Het is pas na zijn zelfmoord dat zijn waarde juist ingeschat werd. Postuum kreeg Karyotakis zo toch een grote invloed op de nieuwe generatie dichters.
Leopold Andreas (Paul) van Ostaijen (Antwerpen, 22 februari 1896 – Miavoye- Anthée, 18 maart 1928) was een modernistisch Vlaams dichter en prozaschrijver. Bij het grote publiek is hij vooral bekend om gedichten als Boem Paukeslag, Melopee en Marc groet 's morgens de dingen. Van Ostaijen wordt gerekend bij een groep jonge kunstenaars die vanuit een activisme kozen tegen het elitair individualisme van de kunstenaar. Deze humanitair expressionisten zijn internationaal gericht (‘volkerengemeenschap’) en pacifistisch.
Na het vervullen van zijn dienstplicht in het Duitse Krefeld in 1922 werkte hij even in een drukkerij en publiceerde in enkele tijdschriften. In 1925 opende hij in Brussel kunstgalerie A la vierge poupine die al na een jaar werd opgedoekt. Zijn laatste levensjaren verbleef hij wegens tuberculose in het privésanatorium Le Vallon in Miavoye-Anthée nabij Dinant. Van Ostaijen overleed er vereenzaamd op 18 maart 1928. In zijn laatste levensjaren propageerde Van Ostaijen de 'zuivere lyriek': pure klankpoëzie, los van de werkelijkheid en de gevoelens van de dichter. Zijn humanistisch expressionisme was zo geëvolueerd naar wat hijzelf een ‘organisch expressionisme’ noemde. Op 8 november 1952 kreeg hij zijn definitieve rustplaats op het erepark van het Schoonselhof in Antwerpen.
Charles W. Wood (geboorte- en sterftedata niet gevonden) was een gewaardeerd activist in Links Amerika en werd in de gewone media gebrandmerkt als toonbeeld van de on- Amerikaanse ontaardingen van links. Er is verder weinig over hem te vinden op het wereldwijde web.
Ture Nerman (Norrköping, 18 mei 1886 - Stockholm, 7 oktober 1969) was een Zweedse socialistische politicus en journalist. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij redacteur van Trots Allt! (Ondanks alles!), een antinazistische krant. Hij was parlementslid van 1946 tot 1953. Op Kungsholmen, een van de eilanden van Stockholm, is een straat naar hem vernoemd. Ture Nerman was vegetariër en geheelonthouder. Alcoholmisbruik kwam in alle lagen van de bevolking voor, maar maakte het meeste slachtoffers onder de arbeiders. Ture Nerman vond dat alcohol de arbeidersklasse passief en neerslachtig maakte, waardoor ze niet voor haar rechten opkwam.
Giuseppe Ungaretti (Alexandrië, 10 februari 1888 – Milaan, 2 juni 1970) was een Italiaans dichter. Zijn vader had meegewerkt aan het Suezkanaalproject. Hij bezocht in Alexandrië de Ecole Suisse maar verhuisde in 1912 naar Frankrijk om te studeren. Hij leerde verschillende dichters en kunstenaars kennen zoals Guillaume Apollinaire, Pablo Picasso, Giorgio de Chirico, Georges Braque en Amedeo Modigliani. In 1921verhuisde hij met zijn gezin naar Rome en in 1924 sloot hij zich aan bij het fascisme. Zijn gedichten tegen de oorlog en zijn poëtisch humanisme staan hiermee in schril contrast. Tot in de Tweede Wereldoorlog bleef hij trouw aan het fascisme en aan Mussolini die hem een lectoraat in Rome bezorgde. In 1944 schreef hij opnieuw tegen de oorlog : Niet meer huilen en het houdt literatuurcritici nog steeds bezig hoe Ungaretti dit in zijn leven verzoende. In 1969 werd hij genomineerd voor de Nobelprijs voor de Literatuur.
Er is weinig over dit lied geweten. Het werd gevonden in Lopik (Nederland) en is waarschijnlijk meegebracht door een gevluchte Belg (een deserteur?). Het verwijst vermoedelijk naar het IJzerfront waar het geschreven zou kunnen zijn. De scan staat op de site van de Nederlandse Liederenbank als een ‘Broadside Ballad’, een lied dat niet uit een bundel komt maar als los vel papier met de liedtekst die daarop gevonden is.
Winifred Mabel Letts (Broughton, 10 februari 1882 – Rathcoole, 1972) is een Engelse schrijfster van toneelwerk, romans en gedichten (ongedateerde foto op azquotes.com/ author/22807-Winifred_Mary_Letts). Ze bracht het grootste deel van haar leven in Ierland door. Ze begon al jong te schrijven en toen ze 14 jaar was, werd haar eerste toneelstuk opgevoerd in het Abbey Theatre in Dublin (The Eyes of the Blind, 1906). Ze schreef nog andere stukken, romans en kinderboeken. In 1913 volgde haar eerste dichtbundel (Songs from Leinster). Ze kende haar grootste succes met het boek Knockmaroon (1933) waarin ze haar jeugd bij haar grootouders in Dublin beschreef.
Julio Baghy (oorspronkelijk Baghy Gyula, Szeged, 13 januari 1891 - 18 maart 1967) was een Hongaarse acteur en auteur in het Esperanto. Hij leerde Esperanto vanaf 1911, was een vooraanstaand activist en ondervoorzitter van de Akademio de Esperanto. Baghy schreef voor vele Esperanto-bladen en was een van de hoofdredacteurs van Literura Mondo (tot 1933). Zijn lijfspreuk was : Amo kreas pacon, paco konservas homecon, homeco estas plej alta idealismo ofwel Liefde maakt vrede, vrede behoedt de mensheid, en de mensheid is het grootste ideaal. Hij werd door Zamenhof, grondlegger van het esperanto en andere Esperantisten van het eerste uur, verwelkomd als de eerste schrijver die het Esperanto een literair allure gaf.
Vladimir Vladimirovitsj Majakovski (Russisch: Владимир Владимирович Маяковский) (Bagdadiin Georgië, 19 juli 1893 - Moskou, 14 april 1930) was een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het poëtisch futurisme van het Russische Tsarenrijk en de Sovjet-Unie. Majakovski werd geboren als kind van Kozakse emigranten. Op zijn veertiende nam hij deel aan een socialistische demonstratie. Na de vroegtijdige dood van vader in 1906 verhuisde het gezin naar Moskou. Tijdens een periode van eenzame opsluiting in 1909 wegens politieke activiteiten (hij was 16 jaar oud) begon hij poëzie te schrijven. In 1911 maakte hij aan de kunstacademie van Moskou kennis met de Russisch futuristische beweging. In de futuristische publicatie ‘Een klap in het gezicht van de publieke smaak’ (Пощёчина общественному вкусу) werden in 1912 voor het eerst gedichten van Majakovski afgedrukt.
Na de oorlog verhuisde hij van Leningrad opnieuw naar Moskou en ontwierp hij zowel grafische als tekstuele satirische Agitpropposters. In 1919 publiceerde hij zijn eerste gedichtenbundel, Verzamelde Werken 1909-1919 (Все сочиненное Владимиром Маяковским). In de jonge Sovjet-Unie was hij immens populair. Van 1922 tot 1928 was hij een prominent lid van het Links Kunst Front (LEF), en gebruikte hij zelf de stijlnaam Communistisch futurisme (комфут).
Hij raakte echter meer en meer gedesillusioneerd in het bolsjewisme en de bolsjewistische propaganda. Zijn satirische toneelstuk De wandluis (клоп, 1929) dat handelt over sovjethypocrisie en -bureaucratie, toont deze ontwikkeling. In april 1930 pleegde hij zelfmoord.
Dit anonieme lied is opgenomen in de Weltkriegslieder-Sammlung waarin liederen staan die tijdens de Eerste wereldoorlog gezongen werden. Het boek verscheen in 1926 bij uitgeverij Der Deutschmeister in Dresden. Het werd samengesteld op basis van getuigenissen van oorlogsoverlevenden. Het boek telt 647 bladzijden en er zijn ongeveer 700 teksten van Soldatenliederen in opgenomen. De meeste liederen verheerlijken de oorlog en dateren van de eerste oorlogsjaren.
Gilbert Frankau (Londen, 21 April 1884 – Hove (GB), 4 November 1952) was een populaire Britse romanschrijver die nu vergeten is. Hij schreef ook gedichten en wordt bij de War Poets van de Eerste Wereldoorlog gerekend. Hij werd geboren in een joodse familie, maar werd Anglicaans gedoopt en bekeerde zich later tot het katholicisme. Gilbert Frankau schreef over zichzelf : “Politieke journalistiek betekende meer voor mij dan romans of kortverhalen.” Maar het was door zijn fictiewerk dat hij erin slaagde om een zitje in het Lagerhuis te veroveren. Als journalist werkte hij mee aan een prestigieus rechts weekblad (Britannia) dat echter totaal flopte.
Over de auteur van dit lied is niets geweten. Het is een Beti folk song en vertelt over het einde van de oorlog en het conflict dat toen ontstond tussen de aanhangers en de tegenstrevers van Atangana. De Eerste Wereldoorlog bereikt Kameroen al in 1914. Kameroen stond onder Duits bestuur en Atangana collaboreerde met de bezetter.
Hij vluchtte het land uit en liet de hoofdstad Yaoundé bij zijn vrienden van de Ewondo-clan en de nog overgebleven Duitse troepen achter. Die hielden stand tot 1916 en moesten uiteindelijk ook vluchten. Het is niet duidelijk of dit lied oorspronkelijk in het Engels gezongen werd of een vertaling is uit een lokale taal.
Elia Abû Mâdi (يضام وبأ ايليإ Īlyā Abū Māḍī ; Bikfaya, Libanon, 15 mei 1890 - New York, 23 november 1957) is van Libanese afkomst maar bracht een groot deel van zijn leven in Amerika door. Hij is een Arabisch dichter en journalist die heel populair was voor de zeggingskracht van zijn taal. Hij plaatste zich in de eeuwenoude traditie van de Arabische poëzie maar schreef over mensen in hun huidig dagelijks leven. In 1911 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel in Alexandria, Egypt (Tadhkār al-māḍī - In herinnering aan het verleden). Daarna emigreerde hij naar de Verenigde Staten waar hij zijn broer in Cincinnati vervoegde. In 1929 startte hij met een eigen tweemaandelijks Arabischtalig tijdschrift Al-Samīr (De Metgezel) dat in 1936 een dagblad werd en waaraan hij bleef meewerken tot aan zijn dood.
Mīḫāˀīl Nuˁayma (Mikhail Naimy: ةميعن ليئاخيم - Mount Sannine, nu Libanon, 1894 - Beirut, 1988) was een Libanees schrijver en dichter van de New York Pen League. Hij studeerde in Nazareth en Poltava, Oekraïne. Na de oorlog verhuisde hij naar New York waar hij met Kahlil Gibran en acht andere schrijvers zich inzette voor de wedergeboorte van de Arabische literatuur via de New York Pen League. Ook de schrijver van het vorige fragment IIliya Abu Madi maakte hiervan deel uit. Naimy was de ondervoorzitter en Gibran de voorzitter. Na 21 jaar verblijf in de VS keerde hij in 1932 terug naar Baskinta (Libanon) waar hij de rest van leven woonde.
Kurt Tucholsky kwam eerder als dichter en columnist al aan bod. Dit fragment komt uit een tekst die een tussenvorm is tussen (Het bewaakte slagveld, 1931) gedicht en column, een glosse, Der bewachte Kriegsschauplatz, in 1931 gepubliceerd in het tijdschrift Die Weltbühne. De publicatiedatum is een uitzondering in deze mozaïektekst, maar in het werk van Tucholsky zijn al van tijdens de Eerste Wereldoorlog aanzetten met dezelve inhoud te vinden. Hij had evenwel tijd tot 1931 nodig om het in drie woorden te formuleren : Soldaten sind Mörder. Met het pseudoniem Ignaz Wrobel schreef hij daarover : „Vier jaar bestonden er kilometerslange landstroken waar moord verplicht was. Terwijl ze een half uur verder streng verboden was. Zei ik: moord ? …” Het leger voelde zich diep beledigd en omdat Tucholsky ondertussen in Zweden woonde, werd de verantwoordelijke uitgever van Die Weltbühne gedagvaard voor „Beleidigung der Reichswehr“. Carl von Ossietzky werd vrijgesproken, omdat het citaat “geen concrete personen viseert en een onbestemde algemeenheid niet kan beledigd worden”. Daarmee waren de processen niet achter de rug. Ook in de jaren ’70 en ’80 werden vredesactivisten vervolgd voor het gebruik van dit Tucholsky-citaat (o.a. voor het gebruik van de hier afgebeelde sticker). Tot het Bundesverfassungsgericht (het Duitse Grondwettelijk Hof) zich in 1995 uitsprak en het gebruik als citaat toestond. Maar in 2010 werd de journalist Thies Gleiss toch nog voor een gelijkaardige uitspraak in Die Junge Welt (20/05/2010) veroordeeld (en in beroep weer vrijgesproken). Nieuw is dit allemaal niet. Cyprianus van Carthago schreef al in 200 AD in een brief : “Moord is een misdaad, als een individu ze begaat. Maar het wordt als een deugd en dapperheid vereerd, als velen ze begaan.” Tucholsky bekritiseert in zijn tekst op vlammende wijze de militaire politie die achter de frontlijnen ervoor zorgde dat “vooraan correct werd gestorven” en achteraan de deserteurs werden vermoord.
Carl Sandburg (Galesburg, 6 januari 1878 - Flat Rock, 22 juli 1967) was een Amerikaanse schrijver, uitgever en dichter. Hij won driemaal de Pulitzerprijs, twee keer voor poëzie en een keer voor een biografie over Abraham Lincoln. Met 13 jaar ging hij van school af, en werkte onder andere als metselaar, hotelbediende en kolensjouwer. Hij begon zijn carrière als journalist bij de Chicago Daily News. Later schreef hij gedichten, biografieën, romans, jeugdliteratuur en filmrecensies. Hij gaf ook boeken met balladen en folksongs uit. Sandburg vocht mee in de Spaans-Amerikaanse Oorlog (1898) over Cuba en Puerto Rico. Hij ging in Milwaukee wonen, waar hij zich aansloot bij de Social Democratic Party. In 1945 verhuisde Sandburg naar een landgoed in het dorpje Flat Rock, waar hij tot zijn dood in 1967 bleef.